Spreken over schepping, betekent verwikkeld raken in scherpe en kritische discussies over wereldbeelden en mensvisies die het hart van ons bestaan raken. Dit wordt vooral duidelijk in de discussie tussen geloof en wetenschap. Door te spreken over God in persoonlijke termen wordt de ervaring tot uitdrukking gebracht dat God nog altijd in de wereld wekt. God is op een persoonlijke manier betrokken in en bij de dynamiek van onze wereld en in het leven van mensen. God doet iets en wij doen iets aan God. Er is actie en reactie die blijkbaar geen andere taal verdraagt dan die van de persoonlijke interactie.

Maar dan is daar ook nog de natuurwetenschap die ons vertelt hoe de wereld in elkaar zit. Die natuurwetenschap ziet niet veel in een God en al helemaal niet in de persoonlijke God van het christelijk geloof. Natuurlijk zijn er gelovige wetenschappers, maar de algehele indrukt lijkt die van een spanning te zijn tussen wetenschap en religie. Met name op het vlak van de persoonlijke interactie tussen God en wereld lijken er veel problematische kanten te zitten aan het religieuze spreken.
Hoe moet het gelovig verstaan van de schepping zich verhouden tot de natuurwetenschappelijke inzichten? Hoe kan ik als “wetenschappelijk mens” een betekenis geven aan scheppingsgeloof en meer algemeen hoe staat gelovig zijn tegenover dat wetenschappelijk zijn. Staan die twee tegenover elkaar of zijn ze verenigbaar en kunnen ze samengaan... Hoe gebruik ik scheppingsgeloof in mijn wetenschappelijk denken? Hoe moeten we de scheppingsverhalen lezen en interpreteren? Gaat het hier echt over twee wereldbeelden waartussen men moet kiezen of is de verhouding tussen geloof en wetenschap, schepping en natuur anders? Welke plaats neemt het creationisme in binnen deze hele discussie en hoe moeten christenen zich hiertoe verhouden?
Voor meer informatie: THOMAS