De casus is een leeromgeving die voor leerlingen herkenbaar is. Daarin kunnen ze de verschillende basishandelingen inoefenen. Bovendien geeft de casus samenhang aan het leerproces.
Maar is het ook mogelijk met dezelfde casus leerprocessen aan te bieden die aansluiten bij de verschillende leerlingentypen van de leerwegen? Kun je, met andere woorden, de casus differentiëren?
Dit lijkt inderdaad mogelijk, zonder afbreuk te doen aan het uitgangspunt dat het leren van al de leerlingen meer rendement heeft naarmate het contextueel en activerend is. Basishandelingen leren ze door ze te doen. Leerlingen leren uit die oefening de basishandeling beheersen doordat ze de 'regels' hebben geleerd waaraan een basishandeling moet voldoen.
Soms zullen ze die regels expliciet kennen. Het leren door kennis en inzicht is voor deze leerlingen dan geschikt om de handelingen goed uit te voeren.
Soms zullen ze kennis en inzicht ervaren als een hinderlijke omweg. Dan blijven kennis en inzicht vooral impliciet; in dat geval zal het leren zich voltrekken in het navolgen van voorbeelden die in de casus worden aangereikt, en ook in het navolgen van deze voorbeelden in nieuwe contexten die lijken op die van de casus.
In al deze gevallen blijft casusgericht leren het uitgangspunt. Verschil is er alleen in de manier waarop leerlingen van een casus leren. Daar gaan de voorkeuren van de leerlingen uit elkaar.
Op grond hiervan kan men er naar streven een casus te differentiëren ten gunste van leerlingen van de verschillende leerwegen. We geven hierna een inschatting van de leervoorkeuren van de leerlingen, gedifferentieerd naar de verschillende leerwegen.
De leerlingen leren van een casus door voorbeelden in een casus na te volgen. De docent kan vervolgens aan de leerlingen laten zien dat je deze voorbeelden ook in andere contexten kunt navolgen. Ook dat gebeurt met voorbeelden. 'Rollenspellen' zullen voor het leren van deze leerlingen erg belangrijk zijn.
De leerlingen leren van een casus door de voorbeelden in een casus na te volgen. De docent laat aan de leerlingen zien dat deze voorbeelden in andere contexten ook functioneren. De leerlingen vullen rollen in in andere contexten (uitbreidingen van de oorspronkelijke casus) door uit te gaan van voorbeelden uit de oorspronkelijke casus.
De leerlingen leren van een casus door de voorbeelden in een casus na te volgen. De docent laat aan de leerlingen zien dat deze voorbeelden in andere contexten ook functioneren. De leerlingen vullen rollen in in andere contexten. De leerlingen bedenken (geholpen door de docent en het materiaal) zelf nieuwe contexten waarin die basishandelingen functioneren.
De leerlingen leren van een casus door de voorbeelden in een casus na te volgen. Ze leren uit de casus ook de kenmerken van de basishandelingen. De docent laat aan de leerlingen zien dat deze voorbeelden en basishandelingen ook in andere contexten functioneren. De leerlingen vullen rollen in in andere contexten. De leerlingen bedenken zelf nieuwe contexten waarin die basishandelingen functioneren. Daarbij maken ze gebruik van wat ze weten van de kenmerken van de basishandelingen.
De leerlingen krijgen in het materiaal een leercontext aangeboden die wordt bepaald door één of meer casussen. Deze vormen de rode draad van het leerproces.
De manier waarop de leerlingen omgaan met een casus, hoe ze van de casus leren, loopt uiteen. In de werkvormen waarmee een casus voor en met leerlingen wordt bewerkt komen de leervoorkeuren van de leerlingen tot hun recht.