Een nieuw paradigma typeert het leren als een adaptief, authentiek en actief proces. De leeromgeving die daarbij hoort is die van de werkplaats. Wat betekent dit voor het vak levensbeschouwing? Hoe ziet de levensbeschouwelijke en morele werkplaats er in grote lijnen uit? Activerend leren betekent: leerlingen aan het werk zetten om handelingen en instrumenten te oefenen. Welke handelingen en instrumenten zijn kenmerkend voor een levensbeschouwelijke en morele benadering van de werkelijkheid? Het gaat om instrumenten die leerlingen in staat stellen om, met het oog op concrete probleemsituaties en thema's zelf op een verantwoorde manier levensbeschouwelijke standpunten in te nemen en morele keuzes te maken, dat ze deze standpunten en keuzes kunnen toelichten, en de drijfveren erachter kunnen communiceren en beargumenteren. Welke groepen handelingen zijn hierbij in het geding?
De eerste groep handelingen heeft betrekking op morele en levensbeschouwelijke gevoeligheid. Het gaat dan om het vermogen om bepaalde concrete gebeurtenissen en thema's te plaatsen in een levensbeschouwelijk en moreel perspectief. Gevoeligheid is veel meer dan een passieve ontvankelijkheid. Gevoeligheid is het vermogen je op grond van een gerichte interesse open te stellen. Bij deze gevoeligheid hoort dat leerlingen levensbeschouwelijke en morele ervaringen kunnen beschrijven. Bij deze gevoeligheid hoort tevens dat leerlingen besef of inzicht hebben in het eigen karakter van deze ervaringen, en dat ze zulke ervaringen ook bij anderen en in andere situaties kunnen herkennen. Wanneer we deze vaardigheden aan het begin van het leerproces gaan zoeken en daarna steeds opnieuw in beeld brengen, dan zorgen we ervoor dat de leerlingen met hun eigen beleving en met hun eigen vragen in het leerproces betrokken blijven.
De tweede groep handelingen betreft het opsporen van wat je zelf van grote waarde vindt. Het gaat dan om bewustzijn van je persoonlijke waarden. Elke levensbeschouwelijke en morele ervaring bevat waarden. Het gaat erom dat leerlingen het vermogen ontwikkelen deze waarden onder woorden te brengen, met elkaar te verbinden en zo hun persoonlijke waardesysteem ontdekken. Het zoeken van de persoonlijke waarden veronderstelt de sensibiliteit waarvan zojuist sprake was. Deze tweede groep handelingen sluit daarom aan op de eerste.
De derde groep betreft het verbinden van persoonlijke levensbeschouwelijke en morele waarden met communicatievormen van gemeenschappen of tradities. Communicatievormen zijn al die uitdrukkingen waarmee mensen in een bepaalde gemeenschap de belangrijkste ervaringen van die gemeenschap aan elkaar doorgeven. Verhalen kunnen zulke communicatievormen zijn, maar ook een gebouw, een dans of muziek, en een geloofsbelijdenis en een dogmatiek. Deze verbinding kan herkenning opleveren. Maar het resultaat kan ook zijn dat leerlingen zich juist niet in bepaalde communicatievormen van morele en levensbeschouwelijke tradities herkennen. Bij zulke gemeenschappen hoeven we niet alleen te denken aan de gemeenschappen die doorgaans als zodanig worden genoemd zoals bijvoorbeeld christendom, humanisme, islam of socialisme. Ook de vriendengroep is vaak een morele gemeenschap waarin bepaalde levensbeschouwelijke noties fungeren.
De vierde groep handelingen betreft het maken van een morele redenering en het verwoorden van een levensbeschouwelijk standpunt. Het gaat hier om het formuleren van een redenering en een standpunt met betrekking tot een concrete gebeurtenis, waarbij de eigen aard van morele en levensbeschouwelijke redeneringen wordt gerespecteerd. Dat betekent onder meer dat leerlingen leren omgaan met het gegeven dat zulke redeneringen niet sluitend zijn, en dat anderen, op grond van goede argumenten, een andere keuze kunnen maken. Het omgaan met de relativiteit van dit oordeel, en met de verlegenheid die daarbij hoort, is van groot belang.
De vijfde groep handelingen waaraan de school kan bijdragen betreft het trekken van consequenties uit het voorgaande voor je handelen. Leerlingen kunnen uitdrukkelijk voor de afweging gesteld worden of een bepaalde waarde in handelen moet worden vertaald. Leerlingen kunnen daartoe zelf ideeën zoeken en initiatieven nemen. Maar docenten kunnen ook ideeën aandragen. Een lessenreeks kan bijvoorbeeld worden afgesloten met een actie.
De zesde groep handelingen betreft het levensbeschouwelijk en moreel communiceren. Het gaat dan niet alleen om discussie: communicatie op grond van argumenten. Naast de discussie is er nog andere communicatie van groot belang, en ook die moet worden ontwikkeld. Het gaat om verhalende communicatie: mensen vertellen over de concrete situatie waarin ze een levensbeschouwelijke of een morele ervaring ondergingen. Ze vertellen wat deze ervaringen inhielden en voor hen betekenden, hoe ze ermee omgingen, en hoe ze er nu naar kijken. Het is van groot belang deze zesde vaardigheid apart te noemen. In communicatie kunnen we ruim baan maken voor de individualiteit van de leerlingen en de pluraliteit van de klas, zonder te vervallen in relativisme. Je betrekt leerlingen op elkaar en kunt ze helpen om ook op levensbeschouwelijk en moreel gebied de ontwikkeling van een eigen standpunt te zien als het resultaat van een leerproces waarop vele anderen hun stempel drukken.